
Zondagavond kwam ik thuis in een moppersmurfstemming en ik snauwde iets naar H. En H. snauwde natuurlijk iets terug. En toen moest ik ineens heel hard huilen. H. zei dat ik niet elke keer dat hij iets snauwt kan gaan huilen. Ik riep uit: "Maar ik huil niet om jou, ik huil om mijn moeder!" H. pakte me beet en sloeg het dekbed samen met zijn armen om me heen. Ik snikte dat ik de zondagen helemaal niet zo makkelijk vond. Understatement. En dat ik de sieraden die ik draag helemaal niet om wil hebben, dat ze niet van mij zijn. Dat ik mijn moeder zo vreselijk mis. En dat H. me elke zondag vraagt, hoe het met mijn vader gaat. En dat iedereen dat vraagt: hoe gaat het met je vader? hoe gaat het met je broer? Bijna niemand vraagt meer hoe het met mij gaat. "Ja, maar ik zie het toch?" zei H. Nog steeds snikkend vroeg ik: "Maar boehoehoehoe gaat het dan met mij?" "Het gaat wél goed met jou. Jij doet het heel goed." was het antwoord. "Nou" wierp ik tegen "Maar ik huil al als ik een tram of trein mis."
In juni 2009 bestelde ik kaarten voor het theaterseizoen 2009/2010. Ik nam ook een kaartje voor De Afscheidsmonologen. Ik nam zomaar aan, zonder verder iets te lezen, dat dat een soort afsluitende voorstelling zou zijn van de Vaginamonologen en de Gesluierde Monologen, wat ik beide erg mooie voorstellingen vond. Maar pas veel later, kwam ik erachter dat dit een programma was over doodgaan en afscheid nemen. Oh. Euh. Oh. Ja. Nou ja. OK. Lenzen uit, bril op, zakdoeken mee en ik zou wel zien. Vanavond was ik erheen. Ik hoopte dat Kees van Kooten er zou zijn. Die was er ook, maar die zat in de zaal, stond niet op het podium. Er was wel een hilarische scène, geschreven door hem. Want ja, er viel zowaar wat te lachen. Wij, het publiek, kregen de verhalen uit de monden van Toine van Peperstraten en Jet Bussemaker. En het was mooi. En herkenbaar. Over het sterfproces, over het boos zijn op een ziekte en het gedoe daaromheen, over het gemis van iemand, over reacties van anderen. Ik heb geen traan gelaten. Ik stapte na de voorstelling naar buiten, stond op de tram te wachten. Er stonden ook een moeder en een dochter (ik schatte haar een jaar of 11) te wachten. Moeder moest hoesten en dochter klopte haar liefdevol op haar rug. Daarna hadden ze het koud en ze knuffelden elkaar warm. Goed zo, dacht ik, wees maar lief voor elkaar. Nu het nog kan. Ik keek naar de sterrenhemel boven me en besefte: Ja, het gaat wél goed met mij. Maar naar omstandigheden.